Werkwijze

Het opstellen van een kwaliteitsinstrument neemt 18 tot 24 maanden in beslag en komt in grote lijnen op de volgende wijze tot stand:

Voorbereiding

Na een eerste oriënterende fase gaat een werkgroep van start op initiatief van de procesbegeleider. Deze werkgroep houdt rekening met al lopende (onderzoeks-)initiatieven om dubbelingen te voorkomen. Vervolgens bakent de werkgroep de patiënt-/cliëntgroep precies af, bepaalt de definities en begrippen en welke producten precies worden opgeleverd. De procesbegeleider faciliteert dit.

Knelpuntanalyse

De werkgroep voert een knelpuntenanalyse uit onder alle professionals die langdurige zorg verlenen, patiënten/cliënten en hun vertegenwoordigers en mantelzorgers. Zij geven aan waar ze in de praktijk tegenaan lopen en waar mogelijk de oplossing ligt. Op basis van deze analyse worden uitgangsvragen geformuleerd en ontstaat een beeld van welke informatie nog ontbreekt om tot een nieuw kwaliteitsinstrument te kunnen komen.

Literatuuronderzoek, conceptversies, en kennislacunes

De werkgroep schrijft een conceptversie van het kwaliteitsinstrument, gebaseerd op systematisch onderzoek van wetenschappelijke literatuur en de inbreng vanuit het veld (best practices en ervaringsdeskundigen). Benodigd aanvullend onderzoek wordt bepaald. Bij elk kwaliteitsinstrument hoort ook een toegankelijke, publieksvriendelijke versie en een plan waarin de doorontwikkeling van het instrument is vastgelegd.

Veldconsultaties, formeel commentaar en autorisatie

Na een serie veldconsultaties krijgen alle belanghebbenden de gelegenheid om formeel hun commentaar te geven op de conceptversie, net als de leden van de raden. Hierna wordt het kwaliteitsinstrument voorgelegd aan de NVAVG, Verenso en V&VN en andere direct betrokken organisaties voor autorisatie. Ondertussen worden een implementatieplan, informatie- en scholingsmateriaal ontwikkeld.

De instrumenten