Slikproblemen

Slikproblemen veroorzaken veel verborgen leed

Slikproblemen kunnen heftige consequenties hebben voor cliënten in de langdurige zorg. Het kan zelfs leiden tot sterfgevallen. Als er zich zo’n sterfgeval voordoet, dan rijst natuurlijk meteen de vraag: Hadden we dit kunnen voorkomen? Die vraag is een van de drijfveren voor het ontwikkelen van het nieuwe kwaliteitsinstrument voor slikproblemen. Maar volgens Arjen Louisse, arts voor verstandelijk gehandicapten, voormalig huisarts en bestuurslid bij de NVAVG, speelt er meer. Arjen Louisse is voorzitter van de werkgroep Slikproblemen van SKILZ en neemt sinds kort ook zitting in het bestuur van SKILZ. Volgens hem spelen er ook veel stille problemen een rol bij het slikken.

“Stille” slikproblemen

“Toen ik werkte voor ’s Heeren Loo en Ipse de Bruggen kwamen slikproblemen meermaals naar voren. En je kunt je de paniek voorstellen als dat leidde tot een sterfgeval. Wat mij vaak opviel, is dat we het ontstaan van slikproblemen eigenlijk niet goed beseften. Er zijn in de langdurige zorg veel mensen die kampen met zogenaamde ‘stille’ slikproblemen. Zeker mensen die zichzelf moeilijk kunnen uiten, zoals ouderen die kampen met dementie of mensen met een verstandelijke beperking, kunnen veel last hebben van niet opgemerkte slikproblemen. Dat uit zich bijvoorbeeld in opeenvolgende luchtweginfecties, doordat er steeds voedselresten in de luchtwegen terechtkomen. Dan was de reactie vaak om de maaltijden aan te passen, bijvoorbeeld door de consistentie dikker of juist dunner te maken. Maar er werd nooit goed onderzocht wat nu precies de oorzaak was. Wel bleek toen al dat verpleegkundigen en verzorgenden niet uit de voeten konden met de huidige kwaliteitsinstrumenten. Daarom vind ik het nu fijn om te kunnen bijdragen aan een kwaliteitsinstrument dat ertoe leidt dat we het ontstaan van slikproblemen goed gaan beschrijven, zodat we beter acteren op kennis, in plaats van op aannames.”

Afspiegeling van het (para)medische werkveld

Arjen is voorzitter van de werkgroep Slikproblemen van SKILZ. Hij hoopt dat het ontwikkelen van het nieuwe kwaliteitsinstrument er niet alleen voor zorgt dat signalen van slikproblemen eerder worden herkend, maar ook dat het werkveld zich sterker bewust is van de problemen die erdoor worden veroorzaakt: “Als we de onderbelichte problemen goed in beeld krijgen, dan is dat pure winst.” Volgens Arjen leeft het onderwerp heel duidelijk: “Het kostte weinig moeite om elf leden voor de werkgroep te werven. Het is een mooie afspiegeling van het (para)medische werkveld geworden, met logopedisten, diëtisten, verpleegkundigen, artsen en verzorgenden. Eind vorig jaar hebben we een inventariserende vragenlijst in het werkveld rondgestuurd en daar kwamen veel reacties op. Uit de analyse van de antwoorden komen de belangrijkste knelpunten naar voren. Daar zijn we de komende weken naar verwachting erg druk mee.” 

Elkaars kennis benutten

Arjen combineert het voorzitterschap van de werkgroep Slikproblemen met het bestuurslidmaatschap van SKILZ. “Dat zijn natuurlijk twee verschillende petten, maar ik kan die dubbelrol goed scheiden. Rode draad voor mij is het multidisciplinaire karakter, dat ik zowel in de praktijk zie binnen de werkgroep Slikproblemen als op een ander abstractieniveau binnen het bestuur. Ik vind het belangrijk erop te sturen dat de verschillende disciplines van elkaar leren en elkaars kennis benutten.”

Goede randvoorwaarden

Gevraagd naar de grootste uitdaging bij het ontwikkelen van een kwaliteitsinstrument zegt Arjen: “Vanuit het werkveld merk ik dat de artsen zoeken naar de balans tussen meewerken aan mono- en multidisciplinaire kwaliteitsinstrumenten. Er is gebrek aan menskracht binnen mijn specialisatie (ArtsVG) en dat zal nog wel even aanhouden, zo niet erger worden. De mensen die meewerken aan het ontwikkelen van nieuwe kwaliteitsinstrumenten zijn gedreven en getalenteerd. Maar er is zoveel meer wat gedaan moet worden. Hoe krapper de personeelsbezetting, hoe vaker zorginstellingen tegen hun mensen zullen zeggen dat meewerken aan een kwaliteitsinstrument niet langer ‘in de baas zijn tijd’ kan. SKILZ en de aangesloten beroepsverenigingen zouden hier goede randvoorwaarden voor moeten scheppen. Een van de oplossingen kan zijn om een keer goed te kijken naar de verdeling van taken en rollen voor de werkgroepleden versus het bureau en hoe dit binnen de AQUA-methodiek vorm te geven”.

Duurzame gedragsverandering

Tot slot wil Arjen nog stilstaan bij de implementatie van kwaliteitsinstrumenten. Dat kan veel beter: “Gek genoeg steken we heel veel tijd in de ontwikkeling van een nieuw kwaliteitsinstrument, maar als het er dan eenmaal is, verliezen we snel onze interesse en eindigt het instrument in een la. Bij de multidisciplinaire richtlijn probleemgedrag voor mensen met een verstandelijke beperking duurde het meer dan twee jaar voordat er middelen werden vrijgemaakt om de richtlijn te implementeren. Dat moet echt anders.  SKILZ moet inzetten op de implementatie van elk kwaliteitsinstrument. Je kunt dan denken aan een implementatieverplichting, maar ik zie ook veel in het duurzaam veranderen van gedrag. Als je jonge artsen kunt leren om blijvend aan de slag te gaan met implementatie, dan wordt het toepassen van nieuwe kwaliteitsinstrumenten mettertijd onderdeel van de standaardwerkwijze. Pas dan maken we echt het verschil.”